Dev: de ontmoeting

Oh leuk, een architect, dacht ik, toen ik op Happn zat te swipen en tot dusver alles naar links geveegd had. Dat, in combinatie met het beeld van een lachende man op een zonovergoten foto, vraagt om nader onderzoek. In Dev’s profiel lees ik dat hij Enterprise Architect is (en dus geen gebouwen ontwerpt) en in San Diego woont. Bummers! Maar er staat toch echt maar dat hij enkele 10-tallen kilometers bij me verwijderd is op dit moment. Toen ik voor het laatst checkte, lag San Diego verder weg. Ik, met mijn speciale voorliefde voor de Verenigde Staten, twijfel geen moment en druk op de like-knop.

Match! Verschijnt er groot op mijn scherm en mijn ogen lichten op. Maar meestal maakt de opwinding al snel plaats voor een gevoel van ‘het zal wel op niets uitlopen’. Dat klinkt negatief, maar is wel gebaseerd op ervaringen uit het verleden, waar ik overigens zelf ook dikwijls debet aan ben. Maar je kunt altijd proberen, toch!

Een goed begin is het halve werk, ook al is het nog maar de helft. Ik stuur Dev een berichtje en krijg direct een antwoord. Leuk! Alhoewel, leuk? Dev blijkt inderdaad in San Diego te wonen, maar is nu even in Nederland om zijn familie te bezoeken. Althans; hij is er inmiddels al drie en een halve week en vliegt over een paar dagen weer terug.
Heb ik dat weer; is het dus toch weer een match die op niets uitloopt. Eigenlijk wil ik het er dus al bij laten zitten, maar ons gesprek verloopt soepel en als Dev voorstelt om toch af te spreken, denk ik ‘waarom ook eigenlijk niet’. We hebben nog maar een mogelijkheid in onze agenda tot Dev weer uitvliegt, dus besluiten die te blokken: vrijdag middag gaan we lunchen. Sh*t, dat is morgen al!

Het viel nog niet mee om een locatie uit te zoeken. Dev stelde voor ergens in het midden af te spreken; dus ergens tussen Kijkduin en Hillegom, waar ik werk. Hij vertelde dat hij met het openbaar vervoer moest komen en stelde dus meer specifiek Leiden voor. Leiden staat voor mij gelijk aan onmogelijk parkeren.
“Heb je geen auto?” vroeg ik hem, want ik vind het in het bezit hebben van gemotoriseerd vervoer passen bij een onafhankelijke levensstijl, en dat laatste is wel wat ik verwacht van een toekomstige levenspartner. Dev vertelt dat hij meerdere auto’s heeft, maar dat deze in opslag staan. En dat hij op dat moment niet veel heeft aan zijn ‘Muscle car’ (ik moest dit ook Googlen, blijkt een stoeremannenauto te zijn) welke voor zijn deur in San Diego stond. Oh ja!

Dit schoot niet op; Dev wilde niet verder reizen dan Leiden en ik wilde wel ergens afspreken waar ik niet te veel onnodige tijd kwijt zou zijn met het zoeken naar een parkeerplek of het lopen van een parkeerplek naar een etablissement; het is tenslotte voor mij een gewone werkdag en ik moet er vrije uren voor opnemen. En eigenlijk wilde ik het net afblazen, toen Dev (eindelijk) instemde met mijn eerste voorstel: hij zou naar Hillegom komen en ik zou hem met de auto oppikken van het station. “Maar dan moet jij het restaurant kiezen, want ik weet daar niets in die omgeving”.

Ik vind het normaal altijd heel sassy als een man die keuze maakt, moeite doet iets leuks te zoeken, dan dat ik zelf een plek kies waar ik al diverse malen geweest ben. Nieuwe match, nieuwe memories. Tot nu, dan, want ik kies voor “de Wachtkamer” in Vogelenzang, een plek waar ik reeds eerder met werk geweest ben.
Ondanks dat Dev zegt dat het niet nodig is te reserveren, doe ik het toch maar; als je weet waar je naartoe gaat, waarom zou je dan niet reserveren? Het is beter dan dat je aankomt en het blijkt vol te zitten. Dat is gelijk een ongemakkelijk begin van de date, toch?
“Het is vrijdag middag, er is vast niemand” zegt hij. “Het is goed met je”, denk ik, en ik reserveer een tafeltje voor ons tweeën om 12h30.
Ik zucht als ik het allemaal even de revue laat passeren. De aanloop was niet gemakkelijk. Maar wie weet is het het allemaal waard.

En zo zit ik hier in mijn auto te wachten bij het station op de aankomt van Dev. Net op dat moment loopt de trein het station binnen. Snel leg ik een pluchen kleed met panterprint over mijn passagiersstoel; zoals de meeste auto’s van paardenmeisjes in ook de mijne een verzamelplaats van paardenspullen, stro, snoeppapiertjes en als bonus: hondenharen. Het ontbrak niet alleen aan tijd om daar iets aan te doen, maar vooral aan zin. Dus hij zal het er mee moeten doen. Vluchtig kijk ik om me heen. Ik draag zelf een roze longsleeve met een zwarte laklegging, zittend in een roze auto met een panterprintkleedje over de stoel. Over smaak valt te twisten, maar wat je er ook van vindt; de eerste indruk zal in ieder geval van onuitwisbaar aard zijn.
Het is steenkoud buiten en omdat ik al even zit te wachten (het station was dichterbij dan ik dacht) zijn de ruiten inmiddels beslagen. Ik maak met mijn handen een doorkijkje en zie een handjevol mensen uitstappen. Ze moeten via een loopbrug het andere spoor oversteken, dus ik kan lang kijken. De meeste reizigers zijn in gesprek met een ander, maar achteraan loopt een iemand alleen. En dat zou Dev wel eens kunnen zijn.

Aangezien hij mij wellicht sneller herkennen aan mijn roze auto dan ik hem, stap ik uit en besluit ik naast de auto te wachten. Tergend langzaam komt hij op me afgelopen. Hij kijkt een beetje nors en onmiddellijk twijfel ik aan mijn kledingkeuze. Aan mijn auto. Aan mijn leven. Maar als hij bijna bij me is, breekt een prachtige glimlach door. “Moet ik daarin zitten?” grijnst hij, knikkend naar mijn auto.

Dev heeft een prachtige, volle bos haar, een lichtgetinte (en door de Californische zon gebruinde) huid, een gemiddeld postuur en hij is even lang als ik (later zal hij zeggen dat hij langer is). Hij draagt een blauwe jas, een blauwe spijkerbroek en smalle Hugo Boss (sport)schoenen.

Met een veelbetekenende blik neemt Dev plaats op het kleedje.
“Je hebt speciaal voor mij opgeruimd, zeker?” vraagt hij, waarop ik begin te lachen. Het ijs is gebroken. Ik had de navigatie al ingesteld, maar hij moet even zoeken en ik heb geen zin om te wachten, dus ga ik op gevoel rechtsaf. En ach, anders komt hij toch wel met een andere route, denk ik. Dev en ik praten honderuit totdat hij me onderbreekt.
“Weet je zeker dat we goed gaan?”. Dat vermoeden had ik zelf ook niet; inmiddels zitten we midden in een woonwijk en heeft de navigatie al diverse malen verzocht om te keren. Ik wilde me niet laten kennen, maar ik besluit toch maar te keren onder toeziend oog van een handvol buurtbewoners. Zes minuten later passeren we weer het station (he verdorie, hij merkt het ook op) en kunnen we opnieuw beginnen. Blijkbaar leiden toch niet alle wegen naar Rome.

De rest van de reis verloopt gelukkig soepel en niet veel later arriveren we bij het restaurant. Mijn hemel, wat is het druk; de hele parkeerplaats staat vol. “Anders zet je hem toch daar neer” wijst Dev naar een plek achter een garage, en hoewel het geen officiële parkeerplaats is lijk ik daar niemand in de weg lijk te staan, dus volg ik zijn rebelse advies. Het blijkt overigens goed dat we (ik) gereserveerd hadden; het hele restaurant is vol. Op het kleine plekje in het midden van het restaurant voor ons, na. Overigens is dit niet direct een goed teken; als we plaatsnemen, lijken we ongevraagd bij een ander gezelschap van 8 personen te horen – we zitten bijna bij de anderen op schoot. Aan hun spreekvolume te horen zitten ze er al even, wat het voor ons wel een uitdaging maakt een gesprek aan te gaan. We beginnen met een koffie (Dev neemt net als ik Latte Machhiato) en krijgen de kaart gepresenteerd. Salade of brood, salade of brood, het blijft altijd een lastige keuze. Gelukkig krijg ik ongevraagd lang de tijd om te twijfelen; het duurt zo lang tot de over onze bestelling op komt nemen dat ik, tegen mijn principes in, zelfs de boterkoek van de koffie in mijn mond stop.

Het restaurant wordt leger en de zon schijnt door het glazen dak; het is net of we in een zonovergoten tuin zitten hartje zomer. We praten inmiddels honderduit en ik ontwerp Dev aan een paar van mijn favoriete psychologische testen om wat meer over hem te weten te komen. “Je staat in een open veld en je ziet een kubus” vraag ik. “Welke kleur is die kubus”. Dev antwoordt dat hij zwart is en van carbon is; het sterkste materiaal op aarde. Zijn kubus staat in een woestijn, dus dat is handig, redeneert hij. Er bovenop is ook nog een zwembad. Dev weet het allemaal mooi te vertellen. Hij heeft in ieder geval een groot inlevingsvermogen.

Intussen wordt ons eten geserveerd en moeten we beide lachen om Dev’s hamburger: het is er een in miniatuurformaat, niet wat je verwacht als je een hamburger besteld. En zeker niet als je de “large” USA-porties gewend bent. Ik ben zelf toch voor de salade gegaan, maar hij wordt geserveerd met brood dus eet ik alsnog veel brood.

We praten over het leven in de Verenigde Staten; dat het toch heel anders is dan in Nederland, waar Dev’s hart toch nog altijd lijkt te liggen.
“In Amerika draait het allemaal veel meer om ‘familly life’: je trouwt je highschool sweetheart en sticht een gezinnentje waar je leven om draait – mensen gaan niet naar de kroeg”. Ik had er niet bij stilgestaan.

We praten en lachen, dagen elkaar uit en bespreken serieuze zaken: we hebben het zelfs over zwarte Piet: een onderwerp waar we compleet van mening verschillen. Maar het kan ons niet schelen – telkens als we elkaar aankijken, springt er een vonk over en dat is wat telt.

Inmiddels ben ik door mijn psychologische testjes heen (“haal je die allemaal uit de Cosmopolitan?” vraagt hij me met een glimlach) en zijn onze borden leeg; toch komt er nog altijd geen ober aan onze tafel; alsof niemand ons wil storen. Het maakt ons niet uit; de lunch kan van ons part wel de hele middag duren.

Totdat we worden opgeschikt door een meneer die zijn hoofd naar binnen steekt. Hij kijkt het restauant rond en beent dan gericht op mij af.
“Ik gok zomaar dat jij bij die roze auto hoort” lacht hij, waarop ik me onmiddellijk verschuldig en zeg dat ik hem zal verplaatsen.
“Rustig aan, hoor” zegt hij met een dikke knipoog richting Dev, waarna hij vertrekt.

Toch voel ik me enigsinds opgelaten en stel ik na – okay vooruit, nog een koffie dan – voor om te vertrekken. Dev staat erop de rekening te betalen en dat geeft mij de gelegenheid om snel het toilet in te duiken. Als ik in de spiegel kijk, zie ik dat mijn wangen helemaal rood zijn gekleurd. Niet veel later stappen we in de auto en zit er niets anders op dan Dev weer af te zetten bij het station. Hoewel we even later netjes afscheid willen nemen met drie zoenen, gebeurt er iets en belanden we in een intieme kus die mijn wangen nog verder doet kleuren.

Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel terwijl ik wegrij, en ik ben nog niet aangekomen, of Dev appt me al (bonuspunten voor betrokkenheid): “Ik heb net de trein gemist, moet nog 25 minuten wachten”.
“Neeee!” antwoord ik speels. “Ik had je graag nog wat minuutjes langer gehad”.
“Ik ook :-)” reageert hij direct. “Dan moet je nu maar gaan sparen voor je trip naar San Diego”.

Dit verhaal maakt onderdeel uit van mijn project “100 dates”, waarin ik 100 willekeurige ontmoetingen beschrijf – een project waarbij ik mijn plezier in schrijven combineer met mijn passie voor liefde. Ondanks dat de verhalen niet per se waargebeurd zijn, zitten er elementen in die op de waarheid berust zijn, dan wel door mijzelf meegemaakt, dan wel aan mij verteld.