Het leek allemaal zo normaal te verlopen: we matchen op Tinder, we hadden een luchtig gesprekje, hij vroeg netjes mijn nummer en we stapten over op WhatsApp alwaar we een afspraak maakten, vervolgens verzette en uiteindelijk definitief maakten.
“Borreltje en lekker eten?” stelde hij voor; “dan regel ik het”. Hij had al punten gescoord met het vragen van mijn nummer, maar nu was het helemaal compleet. Een man die initiatief toont krijgt bij mij een plusje achter zijn naam.

In de tussentijd hadden we leuk, luchtig en casual contact via WhatsApp. Meer van het kaliber “hoe gaat het en wat ga je doen” om af te sluiten met een “nou, veel plezier”.
Nieuwsgierig als ik ben, deed ik met de weinige informatie die ik had mijn Internet research naar Mr. Match, maar eigenlijk vond ik bijna niets. Zelfs geen foto die ik niet eerder gezien had. Vreemd (zeker voor een Interim-manager), ook geen LinkedIn. Ik kon niets anders doen dan afwachten.
“Ik vind het zo leuk dat je zo vrolijk en spontaan bent” zegt Wilbert een aantal keer “dat is tegenwoordig bijna niemand meer”.
Natuurlijk had ik zin in mijn date (wijn en eten, wie zegt daar nu nee tegen), maar ik had zeker nog geen Zwitsers gevoel.
Niks deed me op dat moment vermoeden dat ik te maken had met mijn “droomman” in levende lijve.

Wilbert had zelf voorgesteld me op te komen halen (nog meer bonuspunten) en keurig op tijd stuurde hij, zoals afgesproken, een berichtje: “ik sta voor je deur”. Dat zijn de momenten dat ik aan alles ga twijfelen; aan mijn kledingkeuze, aan mijn make-up, aan mijn leven – maar realiseer ik me ook dat ik er op dat moment niets meer aan doen kan dan toch naar buiten te lopen en het allemaal over me heen te laten komen. Wat is er eigenlijk zo leuk aan daten, anyone?

Op het moment dat ik naar buiten stap, maakt mijn hart een hele grote SPRONG. WOW! Mijn match ziet er niet alleen FANTASTISCH uit (hij draagt een ripped jeans met een witte riem, een blauwe blazer, lichtblauw overhemd en witte Hugo Boss schoenen), hij heeft vooral een geweldige ‘vibe’. Hij heeft blonde haren, lichte ogen en doet een beetje Surfer-type aan. Hij had al verteld dat hij veel fiets (op het strand) en hij heeft dan ook een sportief (breed maar precies goed) gestel. Het is niet snel dat ik onder indruk ben van iemands voorkomen (uiterlijk is maar uiterlijk), maar op dat moment ben ik het zeker en sta ik sinds lange tijd te trillen op mijn benen.

“Wow, wat zie je er tof uit” prijs ik hem, mijn enthousiasme niet onder stoelen of banken stekend.
“Jij anders ook!” antwoordt hij en op dat moment lijkt er nog geen vuiltje aan de lucht.
Ik loop achter hem aan naar zijn zwarte Audi en hij houdt het portier voor me open, waarna hij naar de andere kant loopt en instapt.

Dit kan niet meer mis gaan, denk ik optimistisch, maar als hij zuchtend gaat zitten en vervolgens niets zegt, slaat bij mij de twijfel toe. Hij stelt zijn navigatie in (ik zie dat we naar Leiden gaan) en start de motor, maar het enige wat ik hoor is een oorverdovende, doodse stilte.
De radio zwijgt, Wilbert zwijgt. En ik doe een poging een gesprek te beginnen. Ik vraag hem of hij lang moest rijden, waar we heen gaan – ik vraag hem eigenlijk van alles, maar ik krijg geen noemenswaardige reactie. Het is een man denk ik nog, tegen beter weten in, misschien kan hij niet zo goed multitasken. Het enige wat hij vertelt is dat hij gisteravond een feestje gehad heeft en nog een enorme kater heeft, en dat hij het daardoor niet zo erg vindt om de Bob te zijn.
Het zijn de momenten waarop je achteraf denkt, had ik het daar maar kunnen stoppen. Omkeren!

We parkeren bij de Morspoort, een garage in Leiden, en lopen naar het restaurant. Althans, ik volg mijn date, want ik weet nog niet precies waar we heen gaan. Het blijkt zo’n 10 minuten lopen. Ik vind lopen totaal niet erg – het waait wel, maar het is gelukkig droog – maar lopen in doodse stilte is niet mijn favoriete bezigheid.
“Het is dierendag” begin ik luchtig, “ik had allemaal lekkere dingen voor mijn hond gekocht, maar hij liet het allemaal links liggen”. Ik krijg geen noemenswaardige reactie en vraag of hij dieren heeft.
“Ik heb in mijn vorige relatie een kat gehad maar die heeft de hele bank vernield. Dus dat was snel klaar”. Ok. Einde gesprek.

Niet veel later staan we voor de deur van Proeflokaal 1574, een wijnbar die een vriend van hem heeft aangeraden, weet ik inmiddels. Het bewuste jaartal heeft te maken met Leidens Ontzet, wat nog altijd in Oktober gevierd wordt, vertelt hij. Ik weet denk ik best veel, maar kan hem hierbij niet aanvullen. De wijnbar is eigenlijk meer een “barretje”; beneden staat een hoge baktafel met twee krukken en boven zijn nog enkele kleine zitjes, maar zitten vooral ook veel andere mensen. Wilbert geeft aan dat hij gereserveerd heeft (op de één of andere manier lijkt hij het personeel vriendelijker te benaderen dan mij), waarop de ober aangeeft dat we mogen kiezen.
“Zullen we de tafel hier maar nemen” zegt hij, wijzend op de kleine bartafel met twee hoge krukken. Ik wil niet te moeilijk doen en knik, waarna we plaats nemen. Ik zit vreselijk ongemakkelijk; de krukken zijn eigenlijk te hoog voor de tafel en voor een zelfbewust iemand als ik, is dat niet erg fijn. Het is alsof je tegen over elkaar zit zonder de tafel ertussen. Ik voel me vreselijk onzeker en excuseer me. Door de wandeling in de wind heb ik tranen uit mijn ogen en druppels aan mijn neus – en het wordt niet charmanter als ik continue mijn neus ophaal.

Als ik niet veel later terug ben, blijkt Wilbert niet alleen de menukaart al gehad te hebben, hij heeft ook al zijn keuze gemaakt.
“Ik had eigenlijk bedacht een wijnproeverij te doen samen, maar ik denk nu toch dat ik gewoon voor een gerecht ga” zegt hij resoluut. Ik knik. Snel-eten-snel-klaar, dus; het lijkt een uitgemaakte zaak.

De ober komt eerst onze drankjes opnemen – ze hebben echt een geweldig assortiment – en ik besluit een glas Californische Chardonnay te nemen.
“Zon in het glas” zeg ik lachend, als niet veel later de zon in mijn inmiddels gevulde glas lijkt te schijnen. We praten, maar het gesprek komt niet erg op gang. Ik stel vragen, toon interesse (ik zit er nu toch, wie weet kan ik nog wat van hem opsteken), maar hij antwoordt mat, lauw. Alsof ik een vervelende collega ben met wie hij verplicht een praatje aan moet knopen.

Als de over voorbij loopt, breekt er wel een glimlach door. Hij kijkt me aan.
“Zullen we bestellen, want ik heb eigenlijk wel honger” zegt hij gehaast, mijn verhaal over familie onderbrekend. Hij had net zo goed kunnen zeggen dat ik beter mijn mond kon houden zodat we sneller erdoor waren. En toch blijven we beide zitten, ook al heb ik nog steeds geen idee waarom.

We bestellen beide de truffelrisotto en ik laat mijn glas nog eens volschenken. Wilbert niet; hij benadrukt nogmaals dat hij de avond ervoor al genoeg gedronken had en straks ook nog moet werken. Eerder had hij zelf voorgesteld zondag middag af te spreken omdat hij dan alle tijd had. Ik vind het goed. Dapper waag ik nog een poging en vraag ik hem wat zijn drie favoriete dieren zijn. Hij moet lachen als ik hem uitleg wat dat betekent.

Zwijgend eten we even later ons gerecht. Ik maak dit zelden mee; ik voel me vreselijk onzeker en neem me voor nooit meer te daten. Wat is er aan de hand? We hebben het nog ‘casual’ over liefde en daten en ik vertel hem eerlijk dat ik moeite heb met ‘daten nieuwe style’. Zoals dit, dus. Je ontmoet iemand, beslist na 5 minuten of het wat is of niet, en zo niet, swipe je weer verder, alsof de date nooit plaats heeft gevonden. Ik krijg niet de reactie die ik gehoopt had. Blijkbaar is het zelfs teveel moeite om erover te praten.

Als de over de borden op komt halen, laat hij haar niet vertrekken zonder direct het ‘nagerecht’ te bestellen; koffie in dit geval.
“Doe maar een dubbele espresso” zegt hij, “kan ik straks nog even knallen”. Ik wil een Italian coffee bestellen, maar kies toch voor de Latte Macchiato. Het is even goed, misschien ga ik straks nog wel even naar de sportschool, denk ik.
Nog voordat hij zijn koffie op heeft, heeft hij de rekening al gevraagd. Ik stel voor om te splitten, maar hij wuift het resoluut weg.
“Ik betaal natuurlijk, ik had je uitgenodigd, toch?”.
Wilbert voldoet in alle opzichten aan mijn lijstje, maar ik kom tegelijkertijd tot de conclusie dat er iets ontbreekt aan dat bewuste lijstje en dat is humor. En dat het ook wel handig is als er een klik is.

Zwijgend lopen we terug naar de auto, een alternatieve walk of shame in dit geval. Keurig houdt hij mijn portier open en wacht hij tot ik zit. Wederom in stilte (ik durf niet te vragen of de radio aan mag), rijden we terug naar mijn huis, alwaar hij voor de deur stopt. Hij buigt naar me toe en geeft me drie zoenen, maar blijft zitten. Ik bedank hem voor de lunch, waarna ik uitstap en snel naar binnen stap, naar mijn veilige huis waar ik lekker mezelf kan zijn. Ik verwacht niets meer van Wilbert te horen en eerlijk gezegd voel ik de behoefte niet om iets van me te laten horen. Ik wil dit zo snel mogelijk vergeten.

Dinsdagavond krijg ik toch opeens een teken van leven. Ik hoop niet dat hij twee dagen nodig had om tot de conclusie te komen.

“Hoi, ik vond het erg gezellig maar ik miste de echte klik. Leuk je ontmoet te hebben! Heel veel plezier en geluk. Groetjes Wilbert”.

Dit verhaal maakt onderdeel uit van mijn project “100 dates”, waarin ik 100 willekeurge ontmoetingen beschrijf – een project waarbij ik mijn plezier in schrijven combineer met mijn passie voor liefde. Ondanks dat de verhalen niet per se waargebeurd zijn, zitten er elementen in die op de waarheid berust zijn, dan wel door mijzelf meegemaakt, dan wel aan mij verteld.